Het taboe rond burn-out

“Beste baas, doe iets aan de heersende burn-outboom,” schreef presentatrice en redactrice Erika Van Tielen in het najaar van 2013 in De Morgen. Haar column sloeg in als een bom en werd sindsdien duizenden keren gedeeld op sociale media.

Zelf wil Erika het er inmiddels liever niet meer over hebben. Niet omdat er geen probleem meer zou zijn met de hoge werkdruk en het gebrek aan feedback die in de media vaak de norm zijn. Wel omdat ze niet het boegbeeld van burn-out wenst te worden en op die manier gestigmatiseerd verder door het leven moet.

Begrijpelijk, want hoewel ze zeker niet alleen staat, zijn er maar weinigen die erover spreken. Dat taboe geldt algemeen, maar eens zo hard in de media die nochtans zelf veelvuldig over het groeiend probleem berichten. Alleen worden de lippen stijf op elkaar gehouden wanneer het over een teveel aan stress in de media zelf gaat. In de sector is het namelijk eerder bon ton om te werken tot je er haast bij neervalt en worden mensen die dat niet meer kunnen of willen vaak nog bestempeld als ‘zwak’. Of erger: worden ze definitief afgeschreven.

Nochtans gaat het voornamelijk om mensen die altijd met hart en ziel hebben gewerkt. Anders gezegd: In order to be burn-out, one has to first be on fire. Burn-out overkomt met andere woorden vaak net de mensen die uitermate gemotiveerd zijn en hard werken. Bovendien ontstaat een burn-out niet enkel omdat je een bepaald karakter van geboorte hebt meegekregen (doorgaans dat van een perfectionistische workaholic). Het betreft steeds ook de wisselwerking tussen een persoon en zijn of haar werkomgeving. De werkomstandigheden zijn dus minstens zo belangrijk en het probleem gaat de werknemer en de werkgever even hard aan. Of zoals Luk Dewulf, coauteur van ‘Help, mijn batterijen lopen leeg’, in zijn antwoord aan Erika schreef: “Talent is relationeel, een burn-out ook.”

Lees hier de volledige column van Erika Van Tielen 

Lees hier het volledige antwoord van Luk Dewulf 


Met de steun van de Vlaamse Overheid & ESF