Protocolakkoord 2025-2026: wat verandert er in PsC 303.01?
Op 6 mei 2026 sloten de sociale partners binnen het Paritair subcomité voor de filmproductie (PsC 303.01) het Protocolakkoord 2025-2026.
Wat houdt het Protocolakkoord 2025-2026 PsC 303.01 in?
Het akkoord bevat afspraken over:
- maaltijdcheques
- klein verlet (rouwverlof)
- derdebetalersregeling
- werkgroep artificiële intelligentie
- freelancer
- flexi-jobs
- uitzendkrachten met overeenkomst van onbepaalde duur
Maaltijdcheques
De sociale partners sluiten een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de invoering van maaltijdcheques. Het toepassingsgebied van de collectieve arbeidsovereenkomst wordt beperkt tot de ondernemingen met minstens 15 werknemers. (= gemiddeld minstens 15 voltijds equivalenten in het voorgaande kalenderjaar). De collectieve arbeidsarbeidsovereenkomst is enkel van toepassing op werknemers met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur.
De collectieve arbeidsovereenkomst voorziet in de invoering van maaltijdcheques met een patronale bijdrage van minimaal € 2. De minimale werknemersbijdrage ligt vast op € 1,09. De cheque krijgt bijgevolg een minimale nominale waarde van € 3,09.
De collectieve arbeidsovereenkomst voorziet eveneens in een verhoging van de maaltijdcheques met € 2 van de nominale waarde in de betrokken ondernemingen waar reeds maaltijdcheques van toepassing zijn.
De collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 september 2026 en is van onbepaalde duur.
Klein verlet (rouwverlof)
Vanaf 1 januari 2026 krijgen werknemers in twee specifieke situaties extra rouwverlof bovenop wat het Koninklijk Besluit van 28 augustus 1963 al voorziet. Het gaat telkens om 2 bijkomende dagen, met behoud van normaal loon.
De nieuwe regelingen per situatie:
- Overlijden van de echtgeno(o)t(e), wettelijk samenwonende partner of een kind: het verlof wordt uitgebreid van 10 naar 12 dagen. Daarvan moeten 3 dagen opgenomen worden tussen de dag van het overlijden en de begrafenis; de overige 9 dagen (voorheen 7) kunnen vrij gekozen worden binnen het jaar na het overlijden.
- Overlijden van de vader of moeder van de werknemer of van diens partner: het verlof gaat van 3 naar 5 dagen. De eerste 3 dagen vallen tussen het overlijden en de begrafenis; de 2 bijkomende dagen kunnen binnen het jaar na het overlijden worden opgenomen.
In beide gevallen geldt dat de werknemer in onderling akkoord met de werkgever kan afwijken van de periodes waarbinnen de dagen moeten worden opgenomen.
Derdebetalersregeling
Werkgevers zijn verplicht om bij te dragen in de kosten van het woon-werkverkeer van hun werknemers. De bijdrage bedraagt in alle gevallen 80 procent van de reële kostprijs, ongeacht het gebruikte vervoermiddel. De voornaamste bepalingen per situatie:
- Treinvervoer (NMBS): de werkgever betaalt 80% van de prijs van een treinkaart in 2de klasse, ongeacht het aantal kilometers. Werkgevers worden aanbevolen om een derdebetalersregeling met de NMBS af te sluiten, waarbij de overheid de resterende 20% ten laste neemt. Dit maakt woon-werkverkeer volledig kosteloos voor de werknemer, zonder extra kosten voor de werkgever en via een vereenvoudigde administratieve procedure.
- Ander openbaar vervoer (bv. De Lijn, TEC, MIVB): de werkgeversbijdrage bedraagt eveneens 80% van de reële kostprijs van het abonnement, zowel bij afstandsgebonden als bij eenheidsprijzen.
- Combinatie van vervoermiddelen: bij een combinatie van de trein en andere gemeenschappelijke vervoermiddelen blijft de bijdrage 80% van de totale reële kostprijs, ongeacht of er één of meerdere vervoerbewijzen worden afgeleverd. Bij meerdere vervoerbewijzen wordt de bijdrage per vervoerbewijs afzonderlijk berekend en opgeteld.
- Combinatie trein + MIVB: ook in dit geval kan een derdebetalersregeling worden afgesloten met de NMBS, waarbij de overheid 20% ten laste neemt voor zowel het trein- als het MIVB-gedeelte. Voor trajecten met De Lijn of TEC is een dergelijke extra overheidstegemoetkoming niet voorzien.
Werkgroep artificiële intelligentie
De sociale partners richten een paritaire werkgroep op met het mandaat een analyse te maken van de impact op creatieve en technische werk, de goede praktijken en buitenlandse regelingen in kaart te brengen (rond onder andere toestemming, verloning en controle) en de risico’s en kansen voor de sector te identificeren. De werkgroep moet concrete aanbevelingen formuleren, die vervolgens in het PsC besproken worden met het oog op eventuele verdere sectorale afspraken.
Freelancers
De sociale partners vragen aan het sociaal fonds mediarte om een studie te maken over het gebruik van zelfstandige freelancers in de sector van de filmproductie en voorzien er de nodige middelen voor. De sociale partners vragen aan het sociaal fonds mediarte om een budget en een voorstel van aanpak uit te werken en bespreken dit binnen het paritair subcomité.
Flexi-jobs
De partijen komen overeen om in de loop van het jaar 2027 het gebruik van flexi-jobs in de sector te evalueren.
Uitzendkrachten met overeenkomst van onbepaalde duur
Hoewel zelf niet betrokken, verklaren de sociale partners vertegenwoordigd in het PsC 303.01
zelf geen vragende partij te zijn om een stelsel in te voeren voor uitzendkrachten met overeenkomsten van onbepaalde duur.
Ze wensen evenwel niet tussen te komen in onderhandelingen in andere paritaire comités waarin zij geen zeggenschap hebben.
Duur
Dit akkoord treedt in werking op 1 juli 2026.
Zij is gesloten voor onbepaalde tijd en kan worden opgezegd door elk van de partijen mits een opzeggingstermijn van drie maanden bij een ter post aangetekende brief, gericht aan de voorzitter van het paritair subcomité voor de filmproductie (PsC 303.01).
Raadpleeg het Protocolakkoord van 6 mei 2026 voor de periode 2025-2026
PsC 303.01 Film
Gerelateerd nieuws
Volledige overzicht bekijken
PsC 303.01 Film Indexatie van de lonen in PsC 303.01 in juni 2026
De spilindex die wordt gehanteerd voor de toepassing van de indexering in PsC 303.01 werd in mei 2026 overschreden. Hierdoor werden de lonen die onder het paritair comité 303.01 vallen vanaf 1 juni 2026 verhoogd met 2%, rekening houdend met de centenindex.